Job 39:4
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
Dutch Statenvertaling Bijbel
In The King James Version
In Context
3Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
5Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?