1 Chronicles 7:28
En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.
Statenvertaling (Nederlands)
In The King James Version
In Context
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
Cross References
Genesis 28:19En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
Joshua 16:5De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.
Joshua 16:8Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen.
Judges 1:22En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.