The Bible Software
bible.software › 2 Thessalonicenzen › 2 Thessalonicenzen 3 › 2 Thessalonicenzen 3:3

2 Thessalonicenzen 3:3

Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van den boze.

Statenvertaling (Nederlands)

In The King James Version

But the Lord is faithful, who shall stablish you, and keep you from evil.

In Context

2En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.

4En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult.

Read all of 2 Thessalonicenzen 3

Cross References

1 Chronicles 4:10Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.

Psalms 121:7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.

Matthew 6:13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

John 17:15Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.

1 Corinthians 10:13Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

2 Thessalonians 2:17Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study 2 Thessalonicenzen 3:3

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← 2 Thessalonicenzen 3:22 Thessalonicenzen 32 Thessalonicenzen 3:4 →