The Bible Software
bible.softwareColossenzenColossenzen 1 › Colossenzen 1:2

Colossenzen 1:2

Den heiligen en gelovigen broederen in Christus, die te Kolosse zijn; genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

Statenvertaling (Nederlands)

In The King James Version

To the saints and faithful brethren in Christ which are at Colosse: Grace be unto you, and peace, from God our Father and the Lord Jesus Christ.

In Context

1Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheus, de broeder,

3Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;

Read all of Colossenzen 1

Cross References

Romans 1:7Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

1 Corinthians 4:17Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.

Galatians 3:9Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.

Ephesians 6:21En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken;

2 Peter 1:2Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere;

Revelation 1:4Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Almeida (Português)Luther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)聖經 (中文)성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس (العربية)बाइबल (हिन्दी)Biblia (Kiswahili)Bibbia Diodati (Italiano)Alkitab (Bahasa Indonesia)

Study Colossenzen 1:2

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Colossenzen 1:1Colossenzen 1Colossenzen 1:3 →