bible.software › Deuteronomium › Deuteronomium 15 › Deuteronomium 15:8
Deuteronomium 15:8
Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
Statenvertaling (Nederlands)
In The King James Version
But thou shalt open thine hand wide unto him, and shalt surely lend him sufficient for his need, in that which he wanteth.
In Context
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
9Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.
Read all of Deuteronomium 15
Cross References
Matthew 5:42Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.
This Verse In Other Editions
Study Deuteronomium 15:8