Jeremia 38:7
Als nu Ebed-melech, de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des konings huis was, hoorde, dat zij Jeremia in den kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de poort van Benjamin);
Statenvertaling (Nederlands)
In The King James Version
In Context
8Zo ging Ebed-melech uit het huis des konings uit, en hij sprak tot den koning, zeggende:
Cross References
Deuteronomy 21:19Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats.
Job 29:7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
Proverbs 29:10Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
Jeremiah 29:2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);
Jeremiah 37:13Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selemja, den zoon van Hananja; die greep den profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeen vallen!
Amos 5:10Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van dien, die oprechtelijk spreekt.