Job 39:6
(39:9) Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
Statenvertaling (Nederlands)
In The King James Version
Whose house I have made the wilderness, and the barren land his dwellings.
In Context
5(39:8) Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
7(39:10) Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
Cross References
Deuteronomy 29:23Dat zijn ganse aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;
Psalms 107:34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
Jeremiah 17:6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
Hosea 8:9Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraim hebben boelen om hoerenloon gehuurd.