Lamentations 3:30
Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
Statenvertaling (Nederlands)
In The King James Version
He giveth his cheek to him that smiteth him: he is filled full with reproach.
In Context
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
31Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
Cross References
Job 30:10Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
Psalms 69:20(69:21) De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
Isaiah 50:6Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.
Matthew 5:39Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
Luke 6:29Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.