1 Kronieken 6:34
zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
The son of Elkanah, the son of Jeroham, the son of Eliel, the son of Toah,
In Context
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
Cross References
Exodus 28:1Zonder u vervolgens uw broeder Aäron en zijn zonen uit de Israëlieten af, om Mij als priester te dienen: Aäron, met Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar, de zonen van Aäron.
Leviticus 1:7De zonen van Aäron, de priesters, moeten vuur op het altaar leggen, hout op het vuur stapelen,
Leviticus 16:17Niemand mag in de openbaringstent aanwezig zijn, van het ogenblik af, dat hij er binnentreedt, om in het heiligdom de verzoeningsplechtigheid te verrichten, totdat hij ze weer verlaat.
1 Samuel 1:1Er was eens en man uit Rama, een Soefeër van het Efraïmgebergte, met name Elkana, een zoon van Jerocham, den zoon van Elihoe, zoon van Tóach, zoon van Soef: een Efraïmiet.
1 Chronicles 24:1Ook de zonen van Aäron werden in groepen ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
2 Chronicles 29:11Mijn zonen, weest thans niet langer nalatig; want u heeft Jahweh uitverkoren, om in zijn dienst te staan als zijn dienaren en offerpriesters.