1 Kronieken 9:4
De volgende Judeërs: Oetai, zoon van Ammihoed, den zoon van Omri, zoon van Imri, zoon van Bani, een afstammeling van Fáres, den zoon van Juda.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
3In Jerusalem woonden nu afstammelingen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse.
5Verder enige afstammelingen van Sjilo: namelijk Asaja de oudste, met zijn zonen.
Cross References
Genesis 46:12De zonen van Juda: Er, Onan, Sjela, Fares en Zara. Er en Onan stierven in het land Kanaän. De zonen van Fares waren Esron en Chamoel.
1 Chronicles 2:5De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.
Nehemiah 8:7Daarna gingen de levieten Jesjóea, Bani, Sjerebeja, Jamin, Akkoeb, Sjabbetai, Hodi-ja, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja het volk in de Wet onderrichten, terwijl dit op zijn plaats bleef staan.
Nehemiah 11:4terwijl die van de Judeërs en Benjamieten zich in Jerusalem vestigden. Van de Judeërs: Ataja, de zoon van Oezzi-ja, zoon van Zekarja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, uit de zonen van Fáres.