2 Thessalonicenzen 2:4
de tegenstander die zich verheft tegen al wat God of heilig heet, zodat hij zich neerzet in Gods tempel en zich aanstelt als God…komt de Dag des Heren niet.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
5Herinnert gij u niet, dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was?
Read all of 2 Thessalonicenzen 2
Cross References
Ezekiel 28:2Mensenkind, ge moet tot den vorst van Tyrus zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Uw hart was hoogmoedig; Ge hebt gemeend: Ik ben een god! Een godenwoning bezit ik Midden in zee! En hoewel ge maar een mens zijt, geen god, Verbeeldt ge u, god te zijn:
Ezekiel 28:9Wanneer ge voor uw beulen staat; Terwijl ge maar een mens blijkt te zijn, geen god, In de handen van uw moordenaars?
1 Corinthians 8:5Want al zijn er ook zogenaamde goden in de hemel of op aarde, en zó zijn er inderdaad veel goden en veel heren,