The Bible Software
bible.software › Amos › Amos 1 › Amos 1:7

Amos 1:7

Ik slinger een vuur binnen de muren van Gaza, Dat zijn burchten verteert;

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

But I will send a fire on the wall of Gaza, which shall devour the palaces thereof:

In Context

6Zo spreekt Jahweh! Om drie schanddaden van Gaza, Of om vier herroep Ik het niet: Omdat zij heel een bevolking hebben weggevoerd, Om ze aan Edom te verkopen!

8Ik roei de bewoners van Asjdod uit, Den scheptervoerder van Asjkelon; Ik strek mijn hand tegen Ekron uit, Wat van de Filistijnen nog rest, gaat te gronde: Spreekt Jahweh, de Heer!

Read all of Amos 1

Cross References

Deuteronomy 32:35Voor de dag van wraak en vergelding, Voor de tijd, dat hun voeten wankelen? Want nabij is de dag van hun ondergang, Wat hun bereid is, snelt toe!

2 Kings 18:8Ook sloeg hij de Filistijnen tot Gaza terug, en veroverde het gebied der stad met wachttorens en vestingen.

Psalms 75:7Neen, het is God, die zal richten, Den een vernederen, den ander verheffen!

Jeremiah 25:18Jerusalem en de steden van Juda met hun koningen en magistraten, om er een puinhoop en een woestenij van te maken, een spot en een vloek, zoals ze op de dag van vandaag zijn geworden;

Amos 1:4Ik slinger een vuur in Chazaëls huis, Dat de burchten van Ben-Hadad verteert;

Zechariah 9:5Asjkelon aanschouwt het vol angst, Gaza krimpt ineen van ontzetting, Ekron ziet zijn verwachting bedrogen. Gaza zal geen koning meer hebben, Asjkelon onbewoond blijven liggen,

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)Polish Biblia Gdanska (1881)Statenvertaling (Nederlands)

Study Amos 1:7

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Amos 1:6Amos 1Amos 1:8 →