The Bible Software
bible.software › Colossenzen › Colossenzen 3 › Colossenzen 3:15

Colossenzen 3:15

In uw harten heerse ook de vrede van Christus; want daartoe zijt gij tot één lichaam geroepen. Weest dankbaar bovendien!

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And let the peace of God rule in your hearts, to the which also ye are called in one body; and be ye thankful.

In Context

14Trekt over dit alles de liefde aan, die de band is der volmaaktheid.

16Moge Christus’ woord in u wonen in rijke overvloed! Leert en vermaant elkander met allerlei wijsheid! Looft God in uw harten op lieflijke wijze, met psalmen, gezangen en geestelijke liederen.

Read all of Colossenzen 3

Cross References

Psalms 29:11Jahweh geeft kracht aan zijn volk; Jahweh zegent zijn volk met de vrede!

Psalms 107:22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!

Isaiah 26:3Gij schenkt het een heerlijke vrede, Omdat het op U heeft gehoopt.

Isaiah 57:15Waarachtig, zo spreekt de Allerhoogste, Hij, die hoog is verheven; Die in eeuwigheid troont, En de Heilige heet! Ik woon in een hoge en heilige woning, Maar ook bij de vermorzelde, ootmoedige geest: Om de geest der ootmoedigen ten leven te wekken, Het hart der vermorzelden weer te doen leven.

Jonah 2:9Maar ik wil U lofzangen brengen, En wat ik beloofd heb, vervullen: Van Jahweh komt redding!

John 14:27Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart zij ontsteld, noch bevreesd. —

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study Colossenzen 3:15

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← Colossenzen 3:14Colossenzen 3Colossenzen 3:16 →