Deuteronomium 2:9
Toen sprak Jahweh tot mij: Gij moogt ook Moab niet bestrijden, en geen oorlog met hem beginnen; want Ik zal u niets van zijn land in eigendom geven, daar Ik Ar aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
10Vóór hen woonden daar de Emieten, een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen;
Cross References
Genesis 19:37De oudste baarde een zoon, en noemde hem Moab; hij werd de vader der tegenwoordige Moabieten.
Numbers 21:28Want een vuur ging uit van Chesjbon, Een vlam uit Sichons stad: Het verteerde de steden van Moab, Verslond de hoogten van de Arnon.
Deuteronomy 2:5de strijd met hen aan te binden, want Ik zal u zelfs geen voetbreed van zijn land geven, daar Ik het Seïr-gebergte als erfelijk bezit aan Esau heb geschonken.
Deuteronomy 2:29zoals de zonen van Esau, die te Seïr wonen, en de Moabieten in Ar mij dit hebben toegestaan, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat Jahweh, onze God, ons gaat schenken.
Judges 11:17zond Israël boden naar den koning van Edom met het verzoek: “Ik zou graag door uw land trekken”. Maar de koning van Edom gaf geen toestemming. Insgelijks zond het boden naar den koning van Moab; maar ook deze wilde niet. En zo bleef Israël te Kadesj.
Psalms 83:8Zelfs Assjoer sluit zich bij hen aan, En leent zijn arm aan de zonen van Lot.