The Bible Software
bible.software › Efeziërs › Efeziërs 2 › Efeziërs 2:7

Efeziërs 2:7

opdat in de toekomende tijden de overgrote rijkdom zijner genade zou worden geopenbaard, die Hij in zijn goedheid ons in Christus Jesus heeft geschonken.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

That in the ages to come he might shew the exceeding riches of his grace in his kindness toward us through Christ Jesus.

In Context

6En in Christus Jesus heeft Hij ons opgewekt en in de hemel een plaats bereid te zamen met Hem;

8Want uit genade zijt gij gered door het geloof. Niet uit uzelf; Gods gave is het.

Read all of Efeziërs 2

Cross References

Psalms 106:48Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!

Ephesians 2:4Maar God, die rijk aan ontferming is, heeft door de grote liefde, die Hij ons toedroeg,

Ephesians 3:21aan Hem zij de glorie in de Kerk en in Christus Jesus ten allen tijde, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen!

1 Timothy 1:16maar daarom juist heb ik ontferming gevonden, opdat aan mij, den grootste, Jesus Christus zijn volle lankmoedigheid zou tonen, als voorbeeld voor hen, die in Hem zullen geloven ten eeuwigen leven.

1 Peter 1:12Maar het werd hun geopenbaard, dat ze met dit alles zichzelf niet dienden, maar u. En thans is u dit alles verkondigd door hen, die u de blijde boodschap brachten door den heiligen Geest, die uit de hemel is neergezonden; en engelen zelfs zijn begerig, er een blik in te slaan.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study Efeziërs 2:7

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← Efeziërs 2:6Efeziërs 2Efeziërs 2:8 →