The Bible Software
bible.software › Exodus › Exodus 30 › Exodus 30:18

Exodus 30:18

Maak ook een bronzen wasbekken met een onderstel van brons, plaats het tussen de openbaringstent en het altaar en vul het met water.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

Thou shalt also make a laver of brass, and his foot also of brass, to wash withal: and thou shalt put it between the tabernacle of the congregation and the altar, and thou shalt put water therein.

In Context

17Nog sprak Jahweh tot Moses:

19Met dit water moeten Aäron en zijn zonen hun handen en voeten wassen.

Read all of Exodus 30

Cross References

Exodus 31:9het brandofferaltaar met al zijn toebehoren, het bekken met zijn onderstel;

Exodus 40:7zet het bekken neer tussen de openbaringstent en het altaar, en vul het met water.

Leviticus 8:11Hij besprenkelde daarmee zeven maal het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het wasbekken met zijn onderstel, om ze te wijden.

1 Kings 7:38Ook maakte hij tien bronzen bekkens, voor elke wagen één. Zij hadden een middellijn van vier el, en konden veertig bat bevatten.

2 Chronicles 4:6Verder liet hij tien wasbekkens gieten, waar van er vijf aan de rechter- en vijf aan de linkerzijde geplaatst werden; zij dienden voor de wassingen. Men spoelde daarin de benodigdheden voor het offer af, terwijl de priesters zich in de zee reinigden.

Zechariah 13:1Op die dag zal er voor het huis van David en voor de bewoners van Jerusalem een bron ontspringen tegen zonde en onreinheid.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)Polish Biblia Gdanska (1881)Statenvertaling (Nederlands)

Study Exodus 30:18

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Exodus 30:17Exodus 30Exodus 30:19 →