The Bible Software
bible.software › Ezra › Ezra 2 › Ezra 2:36

Ezra 2:36

De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea telden negenhonderd drie en zeventig man;

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

The priests: the children of Jedaiah, of the house of Jeshua, nine hundred seventy and three.

In Context

35de zonen van Senaä, zes en dertighonderd dertig.

37de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;

Read all of Ezra 2

Cross References

1 Chronicles 9:10De volgende priesters: Jedaja, Jehojarib, Jakin.

1 Chronicles 24:11het negende op Jesjóea, het tiende op Sjekanjáhoe,

Ezra 10:18Men bevond, dat er zelfs zonen van priesters waren, die vreemde vrouwen hadden genomen. Onder de zonen van Jesjóea waren het: de zoon van Josadak met zijn broers, Maäseja, Eliézer, Jarib en Gedalja.

Ezra 10:21onder de zonen van Charim: Maäseja, Eli-ja, Sjemaja, Jechiël en Oezzi-ja;

Nehemiah 7:39De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea, telden negenhonderd drie en zeventig man;

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)Polish Biblia Gdanska (1881)Statenvertaling (Nederlands)

Study Ezra 2:36

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Ezra 2:35Ezra 2Ezra 2:37 →