The Bible Software
bible.software › Genesis › Genesis 29 › Genesis 29:4

Genesis 29:4

Jakob sprak hen aan: Broeders, waar komt gij vandaan? Zij antwoordden: Wij zijn van Charan.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And Jacob said unto them, My brethren, whence be ye? And they said, Of Haran are we.

In Context

3rolde men eerst de steen van de opening van de put, als alle kudden daar waren verzameld; en als men de kudden had laten drinken, wentelde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.

5Hij vervolgde: Kent gij dan Laban, den zoon van Nachor? Zij zeiden: Ja!

Read all of Genesis 29

Cross References

Genesis 24:10Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-Naharáim, naar de stad van Nachor.

Genesis 28:10Toen Jakob van Beër-Sjéba was afgereisd en naar Charan trok,

Acts 7:4Toen vertrok hij uit het land der Chaldeën, en vestigde zich te Charán. En van daar deed Hij hem, na de dood van zijn vader, naar dit land verhuizen, dat gij nu bewoont.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)Polish Biblia Gdanska (1881)Statenvertaling (Nederlands)

Study Genesis 29:4

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Genesis 29:3Genesis 29Genesis 29:5 →