Hebreeën 13:11
Want de lichamen der dieren, wier bloed als een zoenoffer door den hogepriester in het heiligdom is gebracht, worden verbrand buiten de legerplaats.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
10We hebben een Altaar, waarvan zij, die de tabernakel bedienen, niet mogen eten.
12Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn Bloed.
Cross References
Leviticus 4:5Vervolgens moet de gezalfde priester wat bloed van den stier nemen, het binnen de openbaringstent brengen,
Leviticus 4:16Vervolgens moet de gezalfde priester wat bloed van den stier binnen de openbaringstent brengen;
Leviticus 6:30Maar een zondeoffer, waarvan het bloed binnen de openbaringstent is gebracht, om er in het heiligdom de verzoeningsplechtigheid mee te verrichten, mag niet worden gegeten; dit moet in het vuur worden verbrand.
Leviticus 9:11het vlees en de huid verbrandde hij buiten de legerplaats.
Leviticus 16:27Den stier en den bok van het zondeoffer, wier bloed binnen het heiligdom is gebracht, om verzoening te verkrijgen, moet men buiten de legerplaats brengen, en hun huid, hun vlees en de darmen moet men verbranden.
Ezekiel 43:21Neem dan den jongen stier, het zonde-offer, en verbrand hem op de daartoe bestemde plaats in de tempel, buiten het heiligdom.