Jeremia 50:7
Al die ze vonden, slokten ze op, Hun vijanden zeiden: “Wij hebben geen schuld!” Want ze hadden gezondigd Tegen Jahweh, de weideplaats der gerechtigheid, Tegen Jahweh, de hoop hunner vaderen.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
8Vlucht Babel uit, trekt weg uit het land der Chaldeën, Als bokken aan het hoofd van de kudde!
Cross References
Psalms 22:4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
Psalms 79:7Want ze hebben Jakob verslonden, En zijn woonplaats verwoest!
Psalms 91:1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
Isaiah 47:6Omdat Ik op mijn volk was vergramd, Heb Ik mijn erfdeel ontwijd, in uw handen geleverd. Maar gij hebt hun geen medelijden getoond, Zelfs op grijsaards zwaar uw juk laten drukken.
Jeremiah 2:3Toen was Israël nog Jahweh’s heilig bezit, De eersteling van zijn oogst; Allen die er van aten, moesten het boeten, Rampen zouden hen treffen, spreekt Jahweh!
Jeremiah 14:8Tegen Jahweh, Israëls Hoop, Zijn Redder in tijden van nood! Waarom zoudt Gij als een vreemdeling zijn in het land, Als een reiziger, die alleen overnacht?