Leviticus 6:12
Het vuur op het altaar moet brandend blijven, en mag niet worden gedoofd. Iedere ochtend moet de priester daarop hout ontsteken, het brandoffer erop leggen, en de vette stukken van de vredeoffers daarop in rook doen opgaan.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
13Altijd moet het vuur op het altaar blijven branden; het mag nooit worden gedoofd.
Cross References
Leviticus 1:7De zonen van Aäron, de priesters, moeten vuur op het altaar leggen, hout op het vuur stapelen,
Leviticus 3:9Van dit vredeoffer moet hij het vet als een vuuroffer aan Jahweh opdragen: al het staartvet, dat hij dicht bij het staartbeen moet afsnijden; het vet, dat de ingewanden bedekt, met al het vet, dat aan de ingewanden vastzit,
Leviticus 9:24En een vuur schoot uit het aanschijn van Jahweh, dat het brandoffer met de vette stukken op het altaar verteerde. Toen het ganse volk dat zag, brak het los in gejubel en viel op zijn aangezicht neer.
Nehemiah 13:31en regelde de levering van hout op vaste tijden, en de eerstelingen. Mijn God, gedenk mijner ten goede!
Hebrews 10:27maar slechts een vreselijke verwachting van oordeel en vuurgloed, die de weerspannigen zal verslinden.