Mattheüs 25:35
Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij op.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
Cross References
Genesis 18:2en zijn ogen opsloeg, zag hij drie mannen voor zich staan. Zodra hij ze zag, liep hij ze van de tentingang tegemoet, boog zich ter aarde,
Deuteronomy 15:7Wanneer er onder u in een van uw steden in het land, dat Jahweh, uw God, u gaat geven, toch een arme medebroeder is, dan moogt gij niet hardvochtig zijn, en uw hand voor uw armen broeder niet gesloten houden.
Job 29:13Dien de ondergang dreigde, zegende mij, Het hart der weduwe vrolijkte ik op;
Job 31:32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
Proverbs 3:9Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten:
Proverbs 14:21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!