Psalmen 129
1Een bedevaartslied. Van jongs af heeft men wreed mij mishandeld, Mag Israël wel zeggen;
2Mij hardvochtig gekweld sinds mijn jeugd, Maar nooit mij gebroken.
3Ploegers hebben mijn rug beploegd, En lange voren getrokken;
4Maar Jahweh bleef trouw: De riemen der bozen sneed Hij stuk.
5Beschaamd moeten vluchten Alle haters van Sion.
6Ze zullen worden als gras op de daken, Dat vóór het opschiet, verdort;
7Waarmee geen maaier zijn hand kan vullen, Geen hooier zijn arm.
8En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: “De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!”
Study Psalmen 129
KJVMatthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschCharles SpurgeonScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Reina-Valera (Español)Bíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)
All Chapters
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150