Psalmen 34:9
Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets;
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
O fear the LORD, ye his saints: for there is no want to them that fear him.
In Context
8Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt.
10Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort.
Cross References
Genesis 22:12Hij sprak: Sla uw hand niet aan den knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij God vreest; want ge hebt Mij uw enigen zoon niet willen onthouden.
Psalms 22:23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
Psalms 31:23Hebt Jahweh dus lief Gij allen, zijn vromen; Want Jahweh behoedt de getrouwen, Maar met woeker vergeldt Hij de trotsen.
Isaiah 8:13Neen, noemt Jahweh der heirscharen alleen uw bedreiging, Voor Hem moet ge vrezen en beven;
Luke 12:30Hiernaar vragen de heidenvolken wel; maar uw Vader weet, dat gij dit allemaal nodig hebt.
1 Corinthians 3:22Paulus, Apollo, Kefas, wereld, leven, dood, heden, toekomst. Alles is het uwe;