The Bible Software
bible.software › Openbaring › Openbaring 22 › Openbaring 22:3

Openbaring 22:3

en geen enkele vervloeking zal er meer zijn.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And there shall be no more curse: but the throne of God and of the Lamb shall be in it; and his servants shall serve him:

In Context

2En midden op haar plein, aan beide kanten door de stroom omringd, stond de boom des levens, die twaalf maal vruchten draagt, en elke maand zijn vruchten geeft. De bladeren van de bomen dienen tot genezing der volken,

4Daar zal ook de Troon zijn van God en het Lam, en zullen zijn dienaars Hem dienen. Ze zullen zijn Aanschijn aanschouwen, zijn Naam op hun voorhoofd.

Read all of Openbaring 22

Cross References

Deuteronomy 27:26Vervloekt, die de woorden van deze Wet niet gestand doet, en ze niet volbrengt. En heel het volk zal zeggen: Amen!

Psalms 17:15Maar laat mij door mijn gerechtigheid uw aanschijn aanschouwen, Mij aan uw glorie verzadigen na het ontwaken!

Ezekiel 37:27en mijn woning zal onder hen gevestigd zijn: Ik zal hun een God, zij Mij een volk zijn!

Zechariah 14:11Men zal er wonen, en geen vervloeking zal er meer zijn; Jerusalem zal in veiligheid tronen!

Matthew 25:41Maar dan zal Hij zeggen tot hen, die aan de linkerhand staan: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen.

John 13:32En wanneer God in Hem is verheerlijkt, dan zal God ook Hem bij Zichzelf verheerlijken, en dan zal Hij Hem spoedig verheerlijken.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study Openbaring 22:3

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Openbaring 22:2Openbaring 22Openbaring 22:4 →