The Bible Software
bible.software › Ruth › Ruth 1 › Ruth 1:8

Ruth 1:8

zei Noömi tot haar twee schoondochters: Gaat beiden nu terug, ieder naar het huis van uw moeder. Moge Jahweh goed voor u zijn, zoals gij goed zijt geweest voor de doden en voor mij.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And Naomi said unto her two daughters in law, Go, return each to her mother’s house: the LORD deal kindly with you, as ye have dealt with the dead, and with me.

In Context

7Nadat ze dus met haar beide schoondochters de plaats had verlaten, waar ze vertoefd had, en zij op weg waren, om naar het land van Juda terug te keren,

9Moge Jahweh u beiden een tehuis laten vinden, ieder in het huis van uw man. Toen kuste ze haar. Maar ze begonnen te schreien,

Read all of Ruth 1

Cross References

Ruth 1:5stierven ook Machlon en Kiljon beiden. Zo overleefde de vrouw haar beide kinderen en haar man.

Ruth 3:10Toen zei hij: Wees door Jahweh gezegend, mijn kind; dit tweede bewijs van uw goedheid is nog mooier dan het eerste; want ge zijt geen jonge mannen achterna geloopen, geen arme of rijke.

Luke 14:25Toen eens een talrijke menigte Hem volgde, keerde Hij Zich om, en sprak tot hen:

Ephesians 6:2“Eer uw vader en uw moeder;” dit is het eerste gebod, waaraan de belofte verbonden is:

Colossians 3:18Gij vrouwen, weest onderdanig aan uw mannen, zoals het uw plicht is in den Heer.

2 Timothy 1:16De Heer bewijze barmhartigheid aan het huis van Onesiforus, omdat deze me vaak heeft opgemonterd, en zich mijn ketenen niet heeft geschaamd;

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)Polish Biblia Gdanska (1881)Statenvertaling (Nederlands)

Study Ruth 1:8

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)
← Ruth 1:7Ruth 1Ruth 1:9 →