The Bible Software
bible.software › 1 Thessalonicenzen › 1 Thessalonicenzen 2 › 1 Thessalonicenzen 2:6

1 Thessalonicenzen 2:6

We zochten niet de eer van mensen, van u noch van anderen.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

Nor of men sought we glory, neither of you, nor yet of others, when we might have been burdensome, as the apostles of Christ.

In Context

5Nooit traden we met vleitaal op, gij weet het; noch met hebzuchtige bedoelingen, God is mijn getuige.

7Als apostelen van Christus hadden we ons kunnen doen gelden, maar onder u zijn we minzaam geweest. Zoals een voedster haar kinderen koestert,

Read all of 1 Thessalonicenzen 2

Cross References

Esther 1:4honderd tachtig dagen lang spreidde hij de rijkdom van zijn koninklijke heerlijkheid en de luistervolle pracht van zijn grootheid ten toon.

Proverbs 25:27Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden.

John 5:41Eer van mensen aanvaard Ik niet.

John 7:18Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar wie de eer zoekt van Hem, die hem gezonden heeft, hij is waarachtig, en er is in hem geen bedrog.

1 Corinthians 9:1Ben ik niet vrij? Ben ik geen Apostel? Heb ik onzen Heer Jesus niet gezien? Zijt gij niet mijn werk in den Heer?

1 Corinthians 9:12Wanneer anderen op u rechten kunnen doen gelden, wij niet veel meer? Toch hebben we van dat recht geen gebruik gemaakt, maar van alles afstand gedaan, om het Evangelie van Christus niets in de weg te leggen.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study 1 Thessalonicenzen 2:6

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← 1 Thessalonicenzen 2:51 Thessalonicenzen 21 Thessalonicenzen 2:7 →