The Bible Software
bible.software › 2 Thessalonicenzen › 2 Thessalonicenzen 3 › 2 Thessalonicenzen 3:5

2 Thessalonicenzen 3:5

En de Heer neige uw harten tot de liefde voor God en tot de verwachting van Christus.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And the Lord direct your hearts into the love of God, and into the patient waiting for Christ.

In Context

4Daarenboven vertrouwen we van u in den Heer, dat gij doet, wat we bevelen, en dat gij het ook zult blijven doen.

6Broeders, in de naam van den Heer Jesus Christus drukken we u op het hart, u terug te trekken van elken broeder, die ongeregeld leeft, niet naar de overlevering, die gij van ons hebt ontvangen.

Read all of 2 Thessalonicenzen 3

Cross References

Deuteronomy 30:6Dan zal Jahweh, uw God, uw hart en dat van uw kroost besnijden, om Jahweh, uw God, met heel uw hart en heel uw ziel te beminnen, opdat gij weer opleeft.

1 Chronicles 29:18Jahweh, God van onze vaderen, van Abraham, Isaäk en Israël, maak, dat deze bereidwilligheid steeds moge blijven in het hart van uw volk, en richt hun harten op U.

Psalms 119:5Ach, mocht mijn gedrag zo onwankelbaar zijn, Dat ik uw inzettingen trouw onderhield.

Psalms 130:5Mijn ziel schouwt hunkerend naar zijn belofte, Mijn ziel smacht naar den Heer;

Jeremiah 10:23Jahweh, ik weet, dat de mens zijn eigen weg niet bepaalt, Geen wandelaar zijn eigen schreden kan richten.

Lamentations 3:26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study 2 Thessalonicenzen 3:5

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← 2 Thessalonicenzen 3:42 Thessalonicenzen 32 Thessalonicenzen 3:6 →