The Bible Software
bible.software › 2 Timotheüs › 2 Timotheüs 2 › 2 Timotheüs 2:4

2 Timotheüs 2:4

Wie krijgsdienst verricht, bemoeit zich niet met levensonderhoud, om slechts den krijgsheer te behagen.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

No man that warreth entangleth himself with the affairs of this life; that he may please him who hath chosen him to be a soldier.

In Context

3neem ook uw aandeel in het lijden als een goed krijgsknecht van Christus Jesus.

5Eveneens wordt een kampvechter niet gekroond, als hij niet volgens vaste regels heeft geworsteld.

Read all of 2 Timotheüs 2

Cross References

Deuteronomy 20:5Dan zullen de leiders het volk toespreken en zeggen: Wie een nieuw huis heeft gebouwd, en het nog niet heeft betrokken, mag naar huis terugkeren; hij zou in de strijd kunnen vallen, en een ander zijn huis betrekken.

Luke 9:59En tot een ander sprak Hij: Volg Mij. Deze zeide: Heer, sta me toe, eerst mijn vader te gaan begraven.

1 Corinthians 9:25En hij, die in het worstelperk optreedt, legt zich een volkomen onthouding op. Zij doen het, om een vergankelijke kroon te ontvangen, wij om een onvergankelijke.

1 Thessalonians 2:4maar we verkondigen het Evangelie, zoals God ons daartoe waardig keurde, en zoals Hij het ons heeft toevertrouwd: niet om te behagen aan mensen maar aan God, die onze harten beproeft.

2 Timothy 4:10Want Demas, die deze wereld heeft liefgekregen, heeft me verlaten, en is naar Tessalonika vertrokken; Crescens naar Galátië, Titus naar Dalmátië.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study 2 Timotheüs 2:4

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← 2 Timotheüs 2:32 Timotheüs 22 Timotheüs 2:5 →