Ezechiël 29:2
Mensenkind, ge moet uw gelaat richten op Farao, den koning van Egypte, en tegen hem en tegen heel Egypte profeteren.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
1In het tiende jaar, de twaalfde van de tiende maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
Cross References
Isaiah 20:1In het jaar, dat de Tartan op last van Sargon, den koning van Assjoer, tegen Asjdod optrok, het belegerde en innam:
Jeremiah 25:17Ik nam de beker uit de hand van Jahweh aan, en liet er alle volken uit drinken, tot wie Jahweh mij zond:
Jeremiah 25:19Farao, den koning van Egypte met zijn hovelingen en magistraten en heel zijn volk;
Jeremiah 44:30Zo spreekt Jahweh: Zie, Ik lever den Farao Chofra, den koning van Egypte, in de macht van zijn vijand en van hen, die zijn leven belagen, zoals Ik Sedekias, den koning van Juda, aan zijn vijand heb overgeleverd: aan Nabukodonosor, den koning van Babel, die zijn leven belaagde!
Ezekiel 6:2Mensenkind, ge moet uw aangezicht naar Israëls bergen wenden, en aldus tegen hen profeteren:
Ezekiel 21:2Mensenkind, richt dan uw gelaat naar Jerusalem, en laat uw woorden kletteren tegen hun heiligdom; profeteer tegen Israëls bodem,