Job 21:25
De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
And another dieth in the bitterness of his soul, and never eateth with pleasure.
In Context
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
Cross References
2 Samuel 17:8En Choesjai vervolgde: Gij weet, dat uw vader en zijn manschappen dappere mannen zijn, en thans verbeten als een loslopende berin, die haar jongen kwijt is. Bovendien is uw vader een ervaren krijger, die met het volk niet in de open lucht overnacht.
Job 3:20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
Job 9:18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
Job 20:23Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden.
Ecclesiastes 6:2God geeft iemand rijkdom, schatten en eer, Zodat er niets aan zijn verlangens ontbreekt; Doch God staat hem niet toe, er gebruik van te maken, Maar een vreemde bedient zich er van: Dat is ijdel, een smartelijk lijden.
Ezekiel 4:16En Hij sprak tot mij: Mensenkind, Ik ga in Jerusalem de broodstok breken. Ze zullen hun brood bij het gewicht en met bezorgdheid eten, en het water bij de maat en in vertwijfeling drinken,