Job 39:6
Hem, wien Ik de woestijn tot woning gaf, De zilte steppe tot verblijf;
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
Whose house I have made the wilderness, and the barren land his dwellings.
In Context
5Wie heeft den woudezel in vrijheid gelaten, Wie dien wilde de boeien geslaakt,
7Die spot met het lawaai van de stad, Die zich niet stoort aan het razen der drijvers;
Cross References
Deuteronomy 29:23Heel het land is zwavel en zout en een brandende puinhoop; niets kan er worden gezaaid, niets schiet er op en geen kruid kan er groeien; het is een verwoesting als van Sodoma en Gomorra, Adma en Seboïm, die Jahweh in zijn gramschap en woede ten onderste boven gekeerd heeft.
Psalms 107:34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
Jeremiah 17:6Hij is als een struik in de woestijn, Die nimmer zegen ziet komen, Maar op de verschroeide bodem der steppe blijft staan, Op brak en onbewoonbaar land.
Hosea 8:9Omdat ze naar Assjoer zijn gegaan. Een wilde ezel zondert zich af, Doch Efraïm geeft zich aan zijn minnaars.