Lukas 12:21
Zó gaat het hem, die schatten voor zichzelf belegt, maar die niet rijk is voor God.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
So is he that layeth up treasure for himself, and is not rich toward God.
In Context
Cross References
Hosea 10:1Israël was een welige rank Met overvloedige vruchten; Hoe meer vruchten hij droeg, hoe meer altaren hij bouwde, Hoe rijker zijn land, hoe rijker zijn zuilen!
Matthew 6:19Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en worm ze verteren, en waar dieven ze opgraven en stelen.
Luke 12:33Verkoopt uw bezittingen, en geeft er aalmoezen van. Maakt u beurzen die niet slijten, een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief kan bij komen, en waar geen mot hem wegvreet.
Romans 2:5Maar dan stapelt ge door uw verstoktheid en door uw onboetvaardig hart toorn op voor uzelf tegen de Dag van de toorn en van de komst van het rechtvaardig oordeel Gods.
1 Timothy 6:18dat ze deugdzaam moeten zijn en rijk in goede werken, vrijgevig ook en mededeelzaam.
James 5:1Welnu dan, gij rijken; weent en jammert om de rampen, die u bedreigen.