Markus 8:29
Nu vroeg Hij hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde Hem: Gij zijt de Christus.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
In Context
28Ze zeiden Hem: Johannes de Doper; anderen: Elias; anderen weer: één der profeten.
30En Hij gebood hun ten strengste, hierover met niemand te spreken.
Cross References
Mark 4:11En Hij sprak tot hen: U is het geheim van het koninkrijk Gods toevertrouwd; maar zij, die buiten staan, ontvangen alles in parabels:
John 1:41Hij ontmoette zijn broer Simon het eerst, en zeide tot hem: We hebben den Messias (dat betekent: Christus) gevonden.
John 6:69we geloven en weten: Gij zijt de Heilige Gods.
Acts 8:36En terwijl ze hun weg vervolgden, kwamen ze aan een water. Nu zeide de kamerdienaar: Daar is water; wat belet me, gedoopt te worden?
1 Peter 2:7Voor u dus de eer, omdat gij gelooft. Maar voor wie niet geloven, blijft het gelden: “De steen, die de bouwlieden hadden verworpen, Is hoeksteen geworden;
1 John 5:1Wie gelooft, dat Jesus de Christus is, hij is uit God geboren; en wie den Verwekker bemint, bemint ook hem, die door Hem is verwekt;