The Bible Software
bible.software › Mattheüs › Mattheüs 4 › Mattheüs 4:2

Mattheüs 4:2

En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939

In The King James Version

And when he had fasted forty days and forty nights, he was afterward an hungred.

In Context

1Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel te worden bekoord.

3De bekoorder naderde Hem, en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen brood moeten worden.

Read all of Mattheüs 4

Cross References

Exodus 24:18Toen Moses de berg beklom, kwam hij midden in de wolk. En veertig dagen en veertig nachten bleef Moses op de berg.

Deuteronomy 9:9Ik had toen de berg beklommen, om de stenen tafelen, de tafelen van het Verbond, dat Jahweh met u had gesloten, in ontvangst te nemen, en was veertig dagen en veertig nachten op de berg gebleven, zonder brood te eten of water te drinken.

Deuteronomy 9:25Toen ik mij dus, zoals ik zeide, die veertig dagen en veertig nachten voor Jahweh had neergeworpen, omdat Jahweh gezegd had, dat Hij u wilde verdelgen,

1 Kings 19:8Nu stond hij op, at en dronk; en door de kracht van die spijs liep hij veertig dagen en veertig nachten, tot hij de godsberg Horeb bereikte.

Mark 11:12Toen zij de volgende dag uit Betánië vertrokken, kreeg Hij honger.

John 4:6Daar bevond zich ook de bron van Jakob. Jesus, vermoeid van de reis, zette Zich neer bij de bron. Het liep tegen het zesde uur.

This Verse In Other Editions

King James VersionBíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)Библия (Русский)新标点和合本성경 (한국어)聖書 (日本語)الكتاب المقدس باللغة العربية، فان دايكBiblia TakatifuBibbia Diodati (Italiano)Kinh Thánh (Tiếng Việt)Biblia Cornilescu (Română)

Study Mattheüs 4:2

Matthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeAlbert BarnesJohn WesleyJohn CalvinScofieldWilliam BurkittFamily Bible NotesThe Fourfold GospelJohn LightfootGeneva Bible Notes (1599)Robertson's Word Pictures
← Mattheüs 4:1Mattheüs 4Mattheüs 4:3 →