Psalmen 69:8
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder:
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
I am become a stranger unto my brethren, and an alien unto my mother’s children.
In Context
7Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat!
9Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden.
Cross References
Job 19:13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
Psalms 38:11Mijn vrienden en makkers keren zich af om mijn plagen, En mijn verwanten staan op een afstand te spotten;
Psalms 89:52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
Isaiah 53:3Veracht, en door de mensen verstoten, Man van smarten, met lijden bezocht: Voor wien wij ons het gelaat bedekken, Dien wij versmaden en verachten.
Jeremiah 15:15Gij weet het Jahweh! Wees mijner indachtig, Kom mij te hulp, en wreek mij op die mij vervolgen; Stort door uw lankmoedigheid mij niet in ‘t verderf, Gedenk, dat ik gehoond word om U!
Matthew 10:21De broer zal zijn broer ter dood overleveren, de vader zijn zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders, en ze doden.