Psalmen 10:7
Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
His mouth is full of cursing and deceit and fraud: under his tongue is mischief and vanity.
In Context
Cross References
Job 20:12Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt,
Psalms 7:14Ziet, die met valsheid bevrucht is en zwanger van onheil, Baart enkel ontgoocheling;
Psalms 36:3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
Psalms 50:19Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog;
Psalms 55:21Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken.
Psalms 59:12Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken.