Psalmen 50:19
Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog;
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
In The King James Version
Thou givest thy mouth to evil, and thy tongue frameth deceit.
In Context
18Ziet gij een dief, gij loopt terstond met hem mee, En met echtbrekers gaat gij vriendschappelijk om.
20Gij spreekt schande over uw broeder, En werpt smaad op den zoon van uw moeder.
Cross References
Psalms 5:9Neen, in hun mond is geen waarheid, En hun hart is bedorven; Een open graf is hun keel, Ze huichelen met hun tong.
Psalms 12:2Men liegt elkander maar voor, Met valse harten, maar vleiende lippen.
Psalms 52:2Broedt gij voortdurend op onheil, Is uw tong als een vlijmscherp, verraderlijk mes?
Psalms 55:12En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen.
Psalms 64:3Want ze scherpen hun tong als een zwaard, Richten als pijlen hun bittere woorden;
Jeremiah 9:5Ze liegen maar tegen elkander, Nooit spreken ze waarheid. Ze hebben hun tong leren liegen, En putten zich uit in geveins,