The Bible Software
Psalmen · Leuvense Bijbel 1548

Psalmen 37

1HEere en straft my niet in uwer verbolghentheyt, noch in uwer gramscappen en berispt my niet.

2Want v scichten sijn in my gheuesticht, ende ghy hebt op my v hant vast ghemaect.

3Daer en is gheen ghesontheyt in mijn vleesch van daensicht uwer gramschap, daer en is gheenen vrede mijnen beenderen, van daensicht mijnder sonder.

4Want mijn boosheden sijn bouen mijn hooft ghewassen, ende ghelijck eenen swaren last sijn sij op my beswaert.

5Stinckende ende vuyl sijn mijn wonden gheworden, van daensicht mijnder onwijsheyt.

6Ick ben catijuich gheworden ende ghecromt totten eynde toe, alle den dach ghinck ick droeffelijck henen.

7Want mijn lendenen sijn veruult met bedriechlijcheden, ende daer en is gheen ghesontheyt in mijn vleesch.

8Ick ben ghepijnicht ende vernedert bouen maten seere, ick briesschte van dat suchten mijns herten.

9Heere voor v is alle die begheerte mijns herten, ende mijn suchten en is voor v niet verborghen.

10Mijn herte is heel ontsteldt, mijn cracht heeft my verlaten, ende tselue licht van mijnen ooghen en is met my niet.

11Mijn vrinden ende mijn naesten sijn teghen my aenghecomen, ende hebben ghestaen. Ende die by my waren stonden van verre,

12ende sij deden ghewelt die mijn ziele sochten. Ende die my quaet sochten hebben ydelheden ghesproken, ende bedroch hebben sij alle den dach bedacht.

13Maer ick als een dooue en hoordes niet, ende als een stomme sijnen mont niet open doende.

14Ende ick ben gheworden als een mensch die niet en hoort, ende die gheen wederspraeck in sijnen mont en heeft.

15Want ick in v Heere ghehoept hebbe, ghi sult my verhooren Heere mijn Godt.

16Want ick heb gheseydt. Mijn vianden en moeten hen tot gheender tijt verblijden ouer my, ende als mijn voeten wanckelen, soo hebben sij groote dinghen ouer my ghesproken.

17Want ick ben bereedt tot die gheesselen, ende mijn pijne is voor mijn aensicht altijt.

18Want ick sal mijn boosheyt vercondighen, ende dencken voor mijn sonde.

19Maer mijn vianden leuen, ende sij sijn gheuesticht op my, ende sij sijn vermenichfuldicht die my ongherechtelijck haten.

20Die quade dinghen voor goede loonen lasterden my, want ick volchde die goetheyt.

21En verlaet my niet Heere mijn God, en gaet niet wech van my.

22Denct op mijnder helpen, Heere Godt mijnder salicheyt.

← Psalmen 36Read In The App, Free →Psalmen 38 →

Study Psalmen 37

KJVMatthew HenryJamieson-Fausset-BrownAdam ClarkeJohn WesleyJohn CalvinKeil and DelitzschCharles SpurgeonScofieldFamily Bible NotesGeneva Bible Notes (1599)Reina-Valera (Español)Bíblia Portuguesa MundialLuther Bibel (Deutsch)Bible Louis Segond (Français)

All Chapters

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150