Psalmen 63
1VErhoort Godt mijn ghebedt als ic bidde, van die vreese des viants verlost mijn ziele.
2Ghy hebt my bescermt van die vergaderinghe der quaetwilligher, ende van die menichte der gheender die boosheyt doen.
3Want sij hebben als sweerden hen tonghen ghescerpt, sij hebben den booghe ghespannen, die een bitter dinck is
4op dat sij int heymelijck scieten souden den ombesmetten.
5Onuersienlijc sullen sij hem scieten, ende niet vreesen, sij hebben voer hen een boos woert vast voergenomen. Sij hebben vertelt dat sij die stricken souden verborghen, sij hebben gheseyt, Wie salse sien?
6Sij hebben boosheden ondersocht, die ondersoeckers hebben int ondersoecken ghefaelgeert. Die mensch sal gaen tot een hooch herte,
7ende Godt sal verhauen worden. Die pijlen der cleynder kinderen zijn hen quetsueren worden,
8ende hen tonghen zijn teghen hen cranck gheworden. Verstoort sijn zij alle diese saghen,
9ende alle mensch heeft gheureest. Ende zij hebben vercondicht die wercken Gods, ende sijn maecselen hebben sij verstaen.
10Die rechtuerdighe sal hem verblijden in den Heere, ende in hem hopen, ende alle die oprecht van herten sijn sullen gheloeft worden.